Al jaren peilt het SCP het Nederlandse humeur. Dat blijft mopperig. Vreemd, vindt directeur Kim Putters. ‘Het gaat op zo veel fronten gestaag beter.’ Zeven trends over de stand van het land.

‘Verschillen verkleinen’

Kloven genoeg in Nederland: tussen de burger en de politiek, tussen allochtonen en autoch­tonen, tussen oud en jong. Maar volgens het Sociaal en Cultureel Plan­bureau is vooral één kloof echt belangrijk: die tussen een bovenlaag die hoogopgeleid is en de onderste laag die laagopgeleid is. Die groepen zijn even groot, ze maken allebei 15 procent uit van het geheel. Maar verder zijn er niet veel overeenkomsten.

Dat verschil tussen hoog- en laagopgeleid vertaalt zich ook in levensverwachting. De bovenste groep heeft ‘veel van alles’, zegt Putters, ‘en de onderste groep kent een stapeling van problemen. Zij worden gemiddeld zeven jaar minder oud dan de ­bovenste groep en zijn ook nog eens langer ongezond, hebben meer aandoeningen.’

Toch wil Putters niet spreken van een ‘harde tweedeling, met een grote bovenlaag en een grote onderlaag’. Er zijn wel ‘polariserende tendensen’ en die hebben vooral te maken met kansen. Een deel van de bevolking blijft achter op de arbeidsmarkt.

‘Het is niet alleen een beeld, dat laag­opgeleiden niet aan de slag kunnen: het is een feit. De werkloosheid neemt af, maar de verschillen in kansen op werk nemen niet af. Dat creëert een gevoel van onbehagen, en soms ook boosheid.’
Voor Putters is dit de grote puzzel van 2018: de verschillen verkleinen die er ondanks de sterke economie en de dalende werkloosheid zijn. ‘Daar zal de overheid echt iets aan moeten doen, en werkgevers ook. Maar mensen zullen daar zelf ook aan moeten werken.’

‘Identiteit’

 

Sinds Máxima’s uitspraak in 2007 dat ‘de’ Nederlandse identiteit niet bestaat, houdt het Nederlanders bezig. Dubbel paspoort ja of nee, Wilhelmus leren op school, vlag in het parlement. ‘We gaan in 2018 een groot onderzoek naar die identiteit doen,’ zegt Putters. Het thema komt immers steeds weer op. ‘Ik zie met zorg dat de leefwerelden van vooral moslims en niet-moslims steeds verder uit elkaar groeien. Het wederzijds begrip is niet groot.’